Deel op

« Wat zijn de factoren en waarschuwingsignalen waarmee podologen bij het onderzoeken van een patiënt rekening moeten houden om te beslissen of ze de technische handelingen zelf uitvoeren of de patiënt eerst doorverwijzen naar een arts? »

Podologie is een relatief jonge discipline in België, maar speelt een cruciale rol bij de zorg voor voetaandoeningen, vooral bij risicopatiënten zoals mensen met diabetes, vaatziekten of neurologische aandoeningen. Om podologen te ondersteunen in hun dagelijkse praktijk en om de kwaliteit van zorg te verbeteren, werd binnen het Evikey-netwerk een nieuwe klinische richtlijn ontwikkeld op verzoek, en met financiering van, de FOD Volksgezondheid.

Het doel van deze richtlijn is om podologen aanbevelingen te geven waarmee ze kunnen bepalen of ze een behandeling zelf kunnen uitvoeren of ze de patiënt moeten doorverwijzen. Daarbij biedt de richtlijn een overzicht van de “rode vlaggen” die aangeven wanneer medisch advies noodzakelijk is.

Om het belang en de innovatie van deze richtlijn beter te begrijpen, interviewden we de hoofdauteurs: Sara Martin-Scherrens (SM) van de Haute École Libre de Bruxelles Ilya Prigogine (HELB) en Joris De Schepper (JD) van de Arteveldehogeschool in Gent, beiden podologen, onderzoekers en docenten. Ze werden bijgestaan door Pierre D’Ans (PDA), Hoofd Onderzoek aan de HELB, en Leen De Coninck (LD) van de Werkgroep Ontwikkeling van Richtlijnen Eerste Lijn (WOREL), Core Partner binnen het Evikey-netwerk, en het team Scientific Questions and Quality Evidence Linked (SquaQel), experten in methodologie voor richtlijnontwikkeling.

Interview met de ontwikkelaars

Waarom werd een richtlijn ontwikkeld voor podologen, en meer bepaald over de signalen die wijzen op de noodzaak tot doorverwijzing?

PDA: De HELB werd gecontacteerd door de FOD Volksgezondheid in het kader van een projectoproep in 2021. Het Ministerie had vastgesteld dat er behoefte was aan richtlijnen voor podologen en andere zorgverleners.

SM: De FOD Volksgezondheid vraagt regelmatig om meer standaardisatie in de zorg, zodat patiënten een coherente en kwalitatieve behandeling krijgen. Tot nu toe bestonden er simpelweg geen richtlijnen voor podologen.

JD: Voor bepaalde indicaties is geen voorschrift nodig en kan een patiënt rechtstreeks naar een podoloog. Voor andere indicaties is een voorschrift wél vereist en verloopt de zorg via de huisarts. Dat is duidelijk. Maar soms raadpleegt een patiënt op eigen initiatief een podoloog met een probleem dat eigenlijk medische zorg vereist. Dankzij deze richtlijn weet de podoloog welke vragen hij/zij moet stellen om te beoordelen of een doorverwijzing noodzakelijk is. Dit helpt niet alleen bij een optimale zorgverlening, maar geeft aan de podoloog ook steun bij het nemen van beslissingen.

Hoe werden de “rode vlaggen” geselecteerd die een doorverwijzing noodzakelijk maken?

SM: We hebben ons beperkt tot nagel-, huid-, vaat- en neurologische onderzoeken; en specifieke musculoskeletale testen buiten beschouwing gelaten. Deze onderzoeken zijn relevant voor alle patiënten die een podoloog raadplegen, ongeacht of ze een systemische aandoening hebben. We hebben een systematisch literatuuronderzoek uitgevoerd om te bepalen welke waarschuwingssignalen aangeven dat een patiënt doorverwezen moet worden.

In de richtlijn wordt het gebrek aan sluitend wetenschappelijk bewijs vermeld. Hoe ging u daarmee om?

LD: Tijdens onze zoektocht in wetenschappelijke databanken merkten we dat niet alle relevante vragen beantwoord werden in de beschikbare literatuur. Daarom hebben we ons vervolgens gebaseerd op de expertise van een brede groep zorgverleners: huisartsen, orthopedisch chirurgen, vaatchirurgen, endocrinologen, dermatologen, reumatologen, revalidatieartsen, kinesitherapeuten, verpleegkundigen en uiteraard podologen. We hebben ook patiënten betrokken. Dankzij deze multidisciplinaire aanpak heeft de richtlijn een solide basis en wordt de kans vergroot dat ze door alle betrokkenen wordt toegepast. Een orthopedisch chirurg die ziet dat collega-specialisten hebben meegewerkt aan deze richtlijn, zal sneller geneigd zijn om de aanbevelingen in de praktijk te gebruiken.

SM: Het gebrek aan wetenschappelijk bewijs was minder een probleem dan een uitdaging. Het dwong ons om samen te werken met verschillende disciplines en hun praktijkervaring te benutten.

Zijn er obstakels bij de implementatie van de richtlijn?

SM: Idealiter zouden podologen toegang hebben tot de volledige medische voorgeschiedenis van hun patiënten. Op dit moment is die toegang echter beperkt, wat een uitdaging kan vormen.

JD: Podologen zullen ook moeten wennen aan het idee dat ze nu richtlijnen hebben die officieel werden opgesteld op vraag van de FOD Volksgezondheid. Dit kan hun werkwijze enigszins veranderen. Tegelijkertijd biedt de richtlijn een vorm van bescherming: indien er een conflict ontstaat over verantwoordelijkheid, kunnen podologen aantonen dat ze gehandeld hebben volgens de aanbevelingen.

LD: Veel podologen verwijzen hun patiënten al door naar een arts wanneer dat nodig is. Maar deze richtlijn bevestigt dat ze dit op de juiste manier doen. Uiteraard is een richtlijn geen strikte handleiding; podologen moeten altijd blijven nadenken over wat in een specifieke situatie het meest gepast is.

Hoe wordt deze richtlijn bekendgemaakt en wat is de toekomst ervan?

PDA: Er werd al een informatiecampagne gevoerd onder podologen, zodat zij op de hoogte zijn van het bestaan van deze richtlijn. De volgende stap is om ook eerstelijnszorgverleners, zoals huisartsen, verpleegkundigen en kinesitherapeuten, te informeren. Zij moeten weten welke handelingen podologen zelfstandig kunnen uitvoeren, zonder tussenkomst van een arts. Op die manier kan de richtlijn indirect bijdragen aan een efficiëntere samenwerking tussen zorgverleners.

Daarnaast zal de richtlijn worden gepromoot via de Royal Belgian Podiatry Association  (RBPA) en op internationale congressen. We overwegen ook om een wetenschappelijk artikel te publiceren in nationale en internationale tijdschriften, zodat deze richtlijn internationaal kan worden verspreid. Aangezien er in andere landen nog geen vergelijkbare richtlijn bestaat, kan dit bijdragen aan de verdere wetenschappelijke onderbouwing van de podologie.

Deze richtlijn is uniek omdat het de eerste in zijn soort is. Ze is gebaseerd op de best beschikbare wetenschappelijke studies en ontwikkeld met de inbreng van een breed scala aan medische experts, zorgverleners en patiënten.

De volgende stap is om deze aanbevelingen te integreren in de opleidingen voor podologen en andere betrokken zorgverleners. Zoals Leen De Coninck opmerkt, zou een bijkomende uitdaging zijn dat de overheid budget vrijmaakt voor een gestructureerde implementatie, zodat de richtlijn duurzaam in de praktijk wordt toegepast.

Praktische informatie

Projectcoördinatie:

HELB-IP (Haute Ecole Libre de Bruxelles – Ilya Prigogine)

Projectverantwoordelijken:

HELB-IP, Artevelde hogeschool, SqaQel

Uitvoeringsjaar:

2022

Looptijd:

17 maanden

Betrokken beroepsgroepen:

Podologen